FAQ

Hoeveel uren taalles per dag?
In het externaat, 3h per dag in alle centra, 6h per dag voor de onderdompelingen… en veel meer tijdens de residentiële stages. Buiten de immersies volgen de kinderen activiteiten (foto, dans, sport, ontdekking, cinema, kunst, tennis, paardrijden, etc…) volgens de leeftijd en hun sportief niveau, onafhankelijk van de gekozen taal.
De activiteit wordt hoofdzakelijk in het frans gegeven. Indien U een stage verkiest die integraal in een andere taal gegeven wordt, opteert U best voor een onderdompeling. Wanneer U de cursussen Frans kiest, profiteert U automatisch van een onderdompeling. Een certificaat en een beoordeling worden uitgereikt aan het einde van elke week van de stage.

De vordering
Deze stages laten alle jongeren toe het audiofonisch orgaan (het gehoor en het spraakorgaan) te stimuleren: het vroege contact met een vreemde taal ontwikkelt hun capaciteiten voor het aanleren en dit... voor de duur van het hele leven! Vanaf 8-10 jaar is de vooruitgang reeds waarneembaar. Bij adolescenten kan dit ronduit spectaculair zijn.

Hoe weet ik wat mijn kind heeft gedaan tijdens de stageweek?
Voor kinderen van 3 tot 12 jaar, bieden wij een boekje dat U toelaat de aangeleerde materie te volgen. U vindt er ook de routine activiteiten, de evaluatie van het niveau van Uw kind, de aangeleerde woordenschat, de basisinstructies, de activiteiten en spelen verbonden met het thema van de week. Ook is er een overzichtstabel.

De groepen
De verdeling in verschillende groepen gebeurt volgens de leeftijd en het niveau. Er zijn maximum 10 kinderen of adolescenten per groep.

Het certificaat
Aan het einde van elke week van de stage wordt een certificaat en een beoordeling uitgereikt.

Het aanleren van een taal
Het aanleren van een taal gebeurt op lange termijn hetgeen frustratie bij de ouders kan meebrengen. Het leerproces vereist immers veel geduld.
Het leerproces speelt zich af in drie fasen:
1. De ontvangst: Het kind hoort woorden, herhaalt ze, associeert ze met beelden en begrijpt ze.
2. Het Assimileren: De kennis installeert zich beetje bij beetje. Het kind kan reageren op vragen door acties of simpele antwoorden.
3. De weergave: Het kind is in staat meer gecompliceerde antwoorden te formuleren. Gaandeweg kan het kind zelf het woord voeren. Het begint abstracte concepten te gebruiken.

+